Het risque professionel en het risque sociale
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) trad op 1 juli 1967 in werking. De WAO verving de Ongevallenwet uit 1921 en de Invaliditeitswet uit 1913. De Ongevallenwet dekte uitsluitend het ‘risque professionel’ (d.w.z. bedrijfsongevallen en beroepsziekten), terwijl de Invaliditeitswet voorzag in uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid die buiten het werk was ontstaan (het zogenaamde ‘risque sociale’). In de WAO werd dat principe losgelaten, de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid deed er niet langer toe, alleen het feit dat men arbeidsongeschikt was en de daaruit voortvloeiende verminderde restverdiencapaciteit.
Met deze wetgeving heeft Nederland zich een unieke positie verworven binnen Europa.
In de meeste andere Westerse landen maakt men wel een onderscheid bij het toekennen van een uitkering tussen beroepsziekten en bedrijfsongevallen en niet-werkgerelateerde aandoeningen. In de laatstgenoemde gevallen leidt dat vaak tot een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Zoals in de inleiding al aangegeven kennen alle EU-landen een wettelijke verzekering voor beroepsrisico’s, in Nederland zijn werknemers echter aangewezen in geval van schadevergoeding op de civiele rechtspraktijk. In Nederland krijgt nu ook een verplicht private verzekering voor het risque professionel, waarbij voor werknemers die (deels) arbeidsongeschikt raken als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte een Extra Garantieregeling voor Beroepsrisico's komt. De verzekering dekt de schade die de werknemer lijdt, de noodzakelijke medische kosten en er wordt een vergoeding uitgekeerd bij overlijden.
In Nederland bestaat een relatieve achterstand ten aanzien van diagnostiek en signalering van beroepsziekten. Een van de oorzaken is ons unieke systeem van sociale zekerheid waarin verschillen in de aard van de ziekte geen invloed hebben op de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hierdoor is de belangstelling voor beroepsziekten (onterecht) afgenomen.