DienstverleningSociale wetgevingBeroepsziektenOver OHC

januari 2005

Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen

 

Nieuwe wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) gaat huidige WAO vervangen

De Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt op 1 januari 2006 vervangen door de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). In deze nieuw wet staat (gedeeltelijke) werkhervatting voorop. Financiële prikkels moeten ervoor zorgen dat werkgevers en werknemers gestimuleerd worden om er alles aan te doen om gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het werk te helpen of te houden. Tegelijkertijd bestaat er inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer aan de slag kunnen komen. De nieuwe wetgeving betekent een breuk met de bestaande arbeidsongeschiktheidswetgeving, waarin de nadruk vooral ligt op inkomensondersteuning.
In Nederland doet een relatief groot aantal mensen een beroep op de WAO. Bij ongewijzigd beleid zal het aantal arbeidsongeschikten in de toekomst waarschijnlijk weer gaan stijgen. In de nieuwe wet ligt het accent op wat arbeidsgehandicapten nog wel kunnen in plaats van wat zij niet meer kunnen.

De wet bestaat uit twee regelingen: de Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) en de Regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA).
In de nieuwe wetgeving gaat men ervan uit dat alle betrokkenen - werknemers, werkgevers, verzekeraars en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) - alles op alles zullen zetten om gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan de slag te helpen of te houden. Deze inspanningen beginnen natuurlijk al in het eerste en tweede ziektejaar. De werkgever is sinds 1 januari 2004 verplicht een werknemer bij ziekte gedurende twee jaar 70 procent van het loon door te betalen (WVLBZ). Daarbij is het nadrukkelijk de bedoeling dat het loon in het tweede ziektejaar niet bovenwettelijk wordt aangevuld vanuit CAO afspraken. Verder zijn werkgever en werknemer beiden verantwoordelijk voor reïntegratie-inspanningen die leiden tot werkhervatting in eigen werk of passend werk.

Aan het eind van het tweede ziektejaar beoordeelt het UWV door middel van een 'poortwachtertoets' of beide partijen er alles aan gedaan hebben om een gedeeltelijk arbeidsgeschikte aan het werk te houden of te krijgen. Als dat het geval is heeft een gedeeltelijk arbeidsgeschikte (dat is iemand die minder dan 65 procent arbeidsgeschikt is) recht op een uitkering op grond van de WGA regeling. Deze regeling stimuleert werknemers om (meer) te gaan werken omdat het totale inkomen altijd stijgt indien iemand meer werkt (dus zijn restcapaciteit volledig benut). De WGA stimuleert ook werkgevers. Zo zijn werkgevers die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte aan het werk helpen of houden niet verplicht het loon door te betalen als de betrokkene binnen vijf jaar opnieuw ziek wordt (op basis van art. 29b ZW, ook bekend als de zgn. 'no risk polis'). Het UWV neemt in dat geval, ongeacht de ziekte-oorzaak, vanaf de eerste ziektedag de loondoorbetaling over. Ook krijgt een werkgever korting op de premies voor de sociale verzekeringen (WW, WAO) als hij een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt of houdt. Ook de flexibele premie voor de WGA regeling is een prikkel voor werkgevers: de premie gaat omlaag naarmate een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer meer werkt, maar de premie kan ook stijgen als iemand juist minder gaat werken.

De WGA bestaat in eerste instantie uit een loongerelateerde uitkering. Na afloop hiervan bestaat eventueel recht op een vervolguitkering. In de vervolguitkering wordt een onderscheid gemaakt tussen gedeeltelijk arbeidsgeschikten die werken en die niet werken. Een gedeeltelijk arbeidsgeschikte die niet of minder dan 50% van zijn restcapaciteit benut (en dus te weinig werkt), heeft recht op een vervolguitkering van 70 procent van het minimumloon vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage (dit wordt bepaald aan de hand van de mate van loonverlies dat iemand heeft als gevolg van arbeidsongeschiktheid). Iemand die (in voldoende mate) werkt echter, krijgt een loonaanvulling van 70 procent van het verschil tussen het laatstverdiende loon en het met werken verdiende loon. Het is dus in de nieuwe arbeidsongeschiktheidswetgeving altijd lonend om (meer) te werken.

De overheid laat werkgevers de keuze om het risico van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van werknemers zelf te dragen of onder te brengen bij een private verzekeraar of bij het UWV. Om eerlijke concurrentie tussen het UWV en verzekeraars mogelijk te maken heeft het kabinet besloten dat er een toeslag komt op de UWV-premie voor de WGA. Verzekeraars moeten namelijk vooraf kapitaal reserveren om tien jaar lang de uitkeringen te kunnen betalen (het zgn. kapitaaldekkingsstelsel). Dit moet worden doorberekend in de premies. Het UWV heeft een dergelijke buffer niet nodig en kan dus lagere premies kunnen hanteren. De toeslag op de WGA-premie betekent overigens niet een hogere premie voor werkgevers, omdat tegenover deze toeslag een verlaging staat van de premie voor de IVA regeling. Evenals in de huidige WAO regeling betalen alleen de werkgevers premie. Overigens zal de premie de komende jaren ook nog dalen als gevolg van de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van werkgevers van één naar twee jaar.

Voor diegenen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, is werkhervatting niet aan de orde. Een werknemer is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als hij niet meer dan 20 procent van zijn laatstverdiende loon kan verdienen (klasse 80-100%) en er ook geen zicht meer is op herstel. Deze groep ontvangt een redelijke, toekomstbestendige inkomensvoorziening. De IVA uitkering is gebaseerd op het laatstverdiende loon (tot een maximum van 70 procent van het dagloon) en daarna een vervolguitkering (70 procent van het minimumloon, verhoogd met een bedrag dat afhankelijk is van het arbeidsverleden).
Diegenen die tijdelijk volledig arbeidsongeschikt zijn (en dus tijdelijk worden ingedeeld in klasse 80-100%) - maar niet duurzaam - vallen onder de regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Zij krijgen een uitkering van 70 procent van hun oude loon zolang er sprake is van volledig arbeidsongeschikt.

Werknemers die minder dan 35 procent loonverlies lijden, vallen niet onder de regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, maar blijven zo veel mogelijk in dienst van de werkgever.

De huidige WAO blijft gelden voor bestaande gevallen. Zo'n 450.000 van hen worden wel opnieuw beoordeeld tijdens de grote herbeoordelingsoperatie vanaf 1 oktober 2004. De volgorde van herbeoordeling vindt onder meer plaats op basis van leeftijdscohorten. Op die manier wordt bereikt dat jonge mensen met de beste kansen om weer aan het werk te gaan, het eerst aan de beurt komen. Mensen van 50 jaar en ouder worden niet opnieuw gekeurd, evenals diegenen die eerder zijn ontzien . De herbeoordeling gebeurt op basis van nieuwe (vnl. strengere arbeidsdeskundige) eisen, die per 1 oktober 2004 zijn ingegaan (Gewijzigd Schattingsbesluit).
Het nieuwe stelsel levert op termijn een besparing op van 1,7 miljard euro per jaar. Het kabinet streeft ernaar om de nieuwe WAO wet op 1 januari 2006 te laten ingaan.

Arbeidsongeschikten die door de herbeoordeling die vanaf 1 oktober 2004 plaatsvindt hun WAO-uitkering gedeeltelijk of geheel kwijtraken, krijgen in bepaalde gevallen recht op een tegemoetkoming. Het gaat om mensen die op het moment van verlaging of intrekking van de uitkering geen of korter dan zes maanden recht hebben op een WW uitkering. In plaats van een WW uitkering krijgen deze mensen eenzelfde inkomensvoorziening als WW met een maximumduur van zes maanden.

nieuws help

Copyright © 2003-2011 Occupational Health Consultancy bv | contact | privacy statement | disclaimer